‘De klachten van de meeuwen’

Papa, je bent vijf jaar oud, je ziet voor de eerste keer de zee en wordt overweldigd door de eindeloosheid. Het zand kruipt overal en kriebelt tussen je tenen. Je haar wordt stug van het zout, je bootst de klachten van de meeuwen na, het klinkt als ‘iia ie ija aie ia ia iaa’. Je vader doet altijd alles voor je, hij is je held en soms vraag je je af waarom hij zo stil is en waarom hij vaak naar alcohol ruikt. Je telt nog op je vingers en durft ’s nachts niet onder het bed te kijken. Je ogen zijn bruin en diep. Je niest altijd drie keer achter elkaar en je hebt vijftien moedervlekken op je rug.

Op je tiende verjaardag kus je voor het eerst een meisje. Je doet het met je lippen stevig tegen elkaar geklemd zodat ze eigenlijk jouw huid kust. Wanneer het gedaan is, smak je en veeg je je mond droog. Je houdt van cowboys, neemt graag foto’s en dringt je vingertoppen in het putje van je navel, je houdt van het gevoel. Je ontdekt de lynx en kan je adem drie minuten inhouden en danst als Elvis. Met de tram ga je naar school en het liefst lees je detectiveromans.

Papa, ik vond deze beelden op oma’s zolder. Ze zei dat het je broer was, maar ik weet zeker dat jij het bent.

Wanneer je lippen droog zijn, blijft de sigaret soms plakken. Je doet het stiekem, in het steegje achter het college. Je bent vijftien, je haar krult steeds meer en je laat het lang worden. Wanneer je de telefoon opneemt zeg je eerst je naam en dan ‘hallo’ en bij het afscheid zeg je ‘daai.’ Je lach is luid en helder en je vindt het spijtig dat je nog amper met je vader spreekt. Soms denk je dat je hem eigenlijk niet kent en dat zijn bestaan aan jou voorbij gaat. Met het jachtgeweer van je oom schiet je op dennenappels in de weide. Het is vroeg, de mist trekt uit het hoge gras.

Papa, de radio werkt met golven die niet door de tijd kunnen reizen.

Op de boot naar Afrika voel je je voor het eerst vrij, het is je eerste grote reis en je denkt dat je het meer wil doen. Het liefst zou je dokter zijn in het buitenland en mensen genezen die het niet kunnen betalen. Je houdt je bestek omgekeerd vast en eet nooit soep met een lepel; je drinkt het. Je adem ruikt naar rook en boterkoeken en je denkt dat je voor het eerst verliefd bent, haar naam is Marie.

Papa, als je nerveus bent, rilt je rechterbeen. Je bent drieëntwintig en studeert geneeskunde in Brussel. Marie heeft ja gezegd en je leert skiën. Je zegt dat het voelt alsof je op de maan bent. Je draagt broeken met olifantenpijpen en je streelt je snor wanneer je nadenkt. Je vader is ziek en hoest veel. Je weet dat jij hem niet zal kunnen genezen en zoekt graag de stilte op van het bos. Je wou dat je yoga kon.

Papa, oma wil niet dat ik naar de beelden kijk, stiekem doe ik het toch. Ik zocht naar meer maar vond enkel een postkaartje uit Brazilie, uit 1986.

Wanneer je in Peru bent, krijg je bericht dat je vader is gestorven. Je moeder vraagt of je naar België kan komen voor de begrafenis, je komt niet op tijd. Weer thuis zegt Marie dat ze zwanger is, je verwondert je over de eindeloze stroom van leven. Wanneer John Lennon wordt doodgeschoten luister je voor de laatste keer naar The White Album. Je koopt je eerste auto, het is een Volkswagen Beatle en jullie kruipen er met z’n achten in. Op de keukentafel vind je het briefje waarin Marie voorgoed afscheid van je neemt, ze zegt dat je niet de ware bent. Je gaat nu elke dag joggen en loopt steeds verder. Marie zie je nooit meer terug.

Papa, fantoompijnen krijg je wanneer je iets mist.

Wanneer je klaarkomt, kuch je zacht. Je weet dat je niet verliefd bent wanneer Frieda met je borsthaar speelt. Je bent dertig jaar oud, je spreekt een maand lang niet, je zegt dat het een test is. Soms verberg je je in de Peruviaanse hangmat op zolder en kijk je naar het opdwarrelende stof in het scheutje licht dat door het dakraam binnen valt. Je bewaart altijd een zakdoek met een knoop in je broek, om niet te vergeten dat je wat verloren bent.

Papa, ik lees elk artikel over rondreizende artsen dat ik kan vinden en hoop ooit jou in een van de foto’s te herkennen.

In het casino ontmoet je Karen, ze draagt een diep uitgesneden, rood kleed en ruikt naar Chanel. Wanneer je met een polaroid een foto van haar trekt, loopt er iets mis en is de foto helemaal wit. Je bewaart hem in je portefeuille. De eerste keer dat Karen naar je huis komt, raap je vlug je ondergoed bij elkaar, maar je weet dat ze het heeft gezien. Je laat het licht aan wanneer je vrijt en vertelt jezelf dat je nu niet meer eenzaam bent.

Papa, oma zegt dat ik alleen maar leugens verzin, maar waarom wil ze me dan niets waars vertellen?

Wanneer je iets moois ziet, knipper je altijd even alsof je niet gelooft dat het echt is, en lacht daarna ontroerd. Je zingt altijd mee met Simon and Garfunkel en kan honderd meter lopen in tien seconden. Je bent zevenendertig. Wanneer Karen zegt dat ze zwanger is, voel je even aan de knoop in je zak en rook je voor het eerst in jaren een sigaret. Karen wil niet buiten Europa reizen, je leest brochures over artsen zonder grenzen.

Wanneer je kind geboren wordt, kan je je ogen er niet van af houden, maar je weet dat dit kind nooit helemaal van jou zal zijn. ’s Avonds kijk je in de spiegel en verbaast je over hoe jouw gezicht veranderd is, al kan je je niet meer herinneren hoe het er ooit uitzag. Je denkt aan Marie en hebt het gevoel dat jouw leven aan een sneltempo door je vingers glipt. Op de keukentafel laat je het briefje achter waarin je voorgoed van Karen afscheid neemt. Je legt de zakdoek met de knoop er naast en vertrekt in de oude Beatle.

Papa, toen ik oma over artsen zonder grenzen vertelde, begon ze te huilen. Ze zei dat iedereen altijd liegt en dat het voor mama ook niet gemakkelijk is. Ze zei dat ik nooit meer naar de beelden mocht kijken, maar hoe moet ik jou dan leren kennen?

Papa, je wordt vandaag zevenenvijftig. Je wordt grijs en als je een opmerking maakt, doe je dat met een vrolijke fonkeling in je blik. Wanneer je van een blikje cola drinkt, loopt er altijd een druppel langs je kin naar beneden. Na het wassen strijk je met je natte handen je haar glad. Met een stethoscoop luister je naar je eigen hartslag. Vandaag haal je de witte foto weer boven, je beseft dat het alweer twintig jaar geleden is en dat je niet meer weet hoe ze eruit zag. Je vertelt jezelf dat op die foto eender wat kon staan; soms lijkt het op de zee, soms een echografie van een kind dat je nooit zal kennen. Je blijft nooit lang op dezelfde plek, maar elke avond kijk je naar het noorden, of het westen, of misschien het oosten. Dan speur je de horizon af, knijp je je ogen tot fijne streepjes en adem je diep in en uit.

Papa, vandaag vond ik een aangespoelde fles, de brief erin was onleesbaar. Mijn haar werd stug van het zout en het zand waaide in mijn ogen. Ik bootste de klachten van de meeuwen na en het klonk als: ‘iaa iea ai iejaaa a ii ie iaa iaa iaa.’

Het ideale verhaal. Over leegte en literatuur.

DEEL I: Over verhalen en stilte

Om de vraag ‘wat is een goed verhaal’ te beantwoorden, kan ik veel metaforen verzinnen. Een goed verhaal is als een ui: het bestaat enkel uit lagen zonder harde kern. Of: een goed verhaal is als een boom: het zwelt aan, dijt uit en zegt zo veel dat het alle kanten tegelijk op gaat.

Mijn antwoord ligt daar in de buurt. Want wat deze metaforen gemeen hebben, is het aspect van leegte, onvolkomenheid, onvolledigheid; het ontbreken van een helder geheel of centrum. Dat is voor mij het ideale verhaal: een hiaat waar iets hoort te staan. Stel je een boom voor zonder stam of takken. Je ziet bladeren die een boom suggereren, maar hoe die boom er exact uitziet, welke kronkels de takken maken, welke namen in de stam gekerfd staan, dat valt niet waar te nemen. Om het met Derrida te zeggen: er ontbreekt présence aan. Het is een absent presence, iets wat zich enkel – en des te sterker – openbaart in de afwezigheid. Zoals de stilte voor een storm. In die stilte wordt de storm reeds aangekondigd, zit als het ware de betekenis ‘storm’ reeds in vervat, alleen kent hij nog geen expliciete uitdrukkingsvorm. Je weet niet hoe de storm zal zijn, hoe krachtig de wind, hoe de inslag van de regen zal voelen, hoe de hemel eruit zal zien, of het zal bliksemen, of er hagel aan te pas komt, hoe de lucht zal ruiken enzovoort. Maar toch is die stilte genoeg, omdat die je vertelt dat er iets sluimert. Die kennis heeft een grotere impact dan de kennis van de exacte manifestatie van de storm. Omdat die sluimering, die aankondiging reeds een gevoel opwekt en associaties oproept. Omdat het inspeelt op de verbeelding zonder die in te lossen, zonder plaats te ruimen voor ‘werkelijkheid.’ Zoals de opbouw naar de eerste kus een grotere emotionele en mentale weerslag heeft dan de kus zelf.

Die stilte, dat is wat een goed verhaal vertelt. Een hiaat dat wellicht vrij eenvoudig met woorden zou kunnen worden gevuld, maar toch bestemd is om voorgoed leeg te blijven, onbestemd en onbegrensd. Omdat het ook zichzelf voortdurend leeg maakt van betekenis; want een hiaat is nooit werkelijk leeg. Het bevat immers altijd sporen van wat er had kunnen staan en roept zo onvermijdelijk mogelijke invullingen en betekenissen op. Maar door die stilte, door de weigering zichzelf in te vullen en te concretiseren, breekt het die mogelijke betekenissen reeds af voor ze gevormd zijn, om weer plaats te ruimen voor een leegte die vrij staat om opnieuw ingevuld te worden. Je kan dit weer vergelijken met de nakende storm. De stilte daagt je uit een beeld te vormen van die storm – die, voor zover jou bekend is, even goed nooit komt. Je kan je heel wat voorstellen bij een storm, maar nooit ligt dat beeld vast en voortdurend wijzigt het beeld, krijgt het een nieuwe invulling, een extra nuance of detail… tot het geconcretiseerd wordt door een wezenlijke storm. Zodra die er is, kan hij er niet anders uitzien en ligt de mentale voorstelling van de storm vast. Anders gezegd: door iets in woorden te vatten, maak je deze zaak – zij het een gevoel, een perceptie of waarneming, een daad, een geschiedenis… – monddood. Want eens gezegd, wordt het bevroren, geconserveerd, bewaard tegen elke correctie of nuance. Een woord, eens uitgesproken, kan niet terug worden genomen. Bijgevolg kan deze zaak niet meer zeggen dan de woorden waarin het gevat werd.

Om deze reden kunnen we taal als een ambigu systeem beschouwen. Waar de taal dient om betekenis te verlenen aan de buitenwereld, gaat de taal deze buitenwereld ook van alle andere betekenissen trachten te zuiveren. Taal streeft immers altijd naar een zuivere 1-1 relatie tussen woord en concept, vorm en inhoud, signifiant en signifié. In de ideale taal zou één woord slechts één betekenis hebben, naar één concept verwijzen. Ondanks het logische nut hiervan, leidt dit principe ook tot verstarring. Het gaat in tegen een andere natuurlijke neiging van de taal, die tot dissémination of uitzaaiing van betekenis. Waar de taal betekenis tracht vast te leggen, tracht de betekenis zich steeds los te breken uit de ketens van de taal. De daaruit resulterende natuurlijke veelheid aan betekenis, de voorturende uitzaaiing, evolutie, transformatie en woekering van betekenissen, kan ad ultimum enkel in stilte worden uitgedrukt. Want enkel stilte, enkel woordeloosheid, drukt de afwezigheid van een vaststaande betekenis het sterkst uit. Enkel stilte biedt de meest mogelijke invullingen.

Daarom kan mijn ideale verhaal enkel leven in een woordeloosheid – want leven impliceert transformatie en onvastheid. Het ideale verhaal is er dus één dat nooit definitief uitgesproken kan worden en dus nooit neergeschreven – want de geschreven taal is de meest onwrikbare keten; eens iets staat neergeschreven, bepaalt dat schrift voor altijd de betekenis. Denk aan universele symbolen zoals de roos. In een tekst kan dit woord verschillende betekenissen dragen en uitlokken omdat niets volledig aan de natuurlijke uitzaaiing van betekenissen ontkomt. Maar nooit zal dit woord in een tekst verschijnen zonder de associatie met liefde op te roepen.

Meer nog, mijn ideale verhaal gaat zelfs zo min mogelijke tekens verschaffen die aanleiding geven tot mentale invulling. Want ook de verbeelding streeft voorturend een bevroren staat na. Ook in onze verbeelding pogen wij alles tot een zo concreet mogelijke voorstelling te herleiden. Enkel het absoluut onverbeeldbare, iets wat Dominick Lacapra een limit event doopte, kan hieraan ontsnappen omdat het onze cognitieve capaciteit te boven gaat. Mijn ideale verhaal is er dus een waarin alle elementen zo onvatbaar zijn dat ze voortdurend transformeren of zelfs volledig ongrijpbaar zijn voor enige mentale beeldvorming. Het ideale verhaal is, met andere woorden, een onmogelijkheid.

DEEL II: Over stilte en verhalen.

Maar zo ver hoeven we niet te gaan. Het ideale verhaal mag dan buiten bereik liggen, een goed verhaal is nog steeds haalbaar. Een goed verhaal vertelt, zoals altijd, iets over de werkelijkheid, iets over de mens en iets over hoe de mens de werkelijkheid ervaart. Daar komen we weer bij de bladeren die een boom suggereren. Wat de mens van de werkelijkheid waarneemt, is slechts een fractie. Het geheel, daarentegen, blijft noodgedwongen onzichtbaar. Het is bovendien in die leegte dat ‘het mysterie’ is geborgen. Het is die absence die onze ‘grote vragen’ uitlokt, onderbouwt en aldoor blijft voeden. Deze afwezigheid voedt ook onze hoop dat er werkelijk een geheel is, een stam waarin alle bladeren samen komen. Het zorgt ervoor dat wij vragen stellen en antwoorden verzinnen. Het is de basis van filosofie, religie en wetenschap. Hier ontspringt de kiem voor verhalen. Want wat filosofie, religie en wetenschap gemeen hebben, is dat ze alles in een eenduidig en afgesloten verhaal proberen te gieten.

Waar wij fout lopen, is de illusie dat we die leegte, dat wat we niet kennen, kunnen invullen door samenhangende verhalen te creëren: door causaliteitsrelaties te verzinnen, thematische kernen te stipuleren en elementen hiërarchisch te ordenen. Die neiging om alles tot één geheel te herleiden, alles te belichten en alles te verklaren doet niet recht aan het verhaal, noch aan de werkelijkheid. Een verhaal hoort juist de afwezigheid van dat geheel, die absent presence, te benadrukken en voelbaar te maken.

Een sterk verhaal is er één doorspekt met hiaten. Door de lezer in het ongewisse te laten, voedt het verhaal niet enkel de verbeelding, maar ook de gewaarwording van onze onvolkomenheid en onze perceptuele en cognitieve beperkingen. Een sterk verhaal is, in zekere zin, geen verhaal maar slechts een schim, een suggestie van wat een verhaal zou kunnen zijn. Een krachtig, boeiend verhaal vertelt geen plot, maar net alles wat daar rond zweeft. Want het zijn deze elementen waarin de kracht van elk verhaal verscholen ligt. Niet de storm zelf, maar de stilte ervoor tekent het gewicht ervan.

In zekere zin is het verhaal, de plot, irrelevant. Wat telt is de suggestie van een verhaal, de suggestie van een gebeurtenis en uiteindelijk de suggestie van betekenis. Het is die holte die tegelijkertijd bol staat van mogelijke betekenissen, die de lezer vragen doet stellen. Die onvervulbare stilte die vraagt om gevuld te worden en dit tegelijkertijd weigert, maakt een verhaal onsterfelijk. Omdat een verhaal pas leeft wanneer het niet is vastgelegd.

Jazz & Literatuur / ‘Dat ik je vertellen kon’

Ik hou van jazz. En ik hou van jazz tijdens het schrijven. Wat die twee met elkaar te maken hebben? Om te beginnen is jazz een klimaat op zich; vanaf de eerste noot wekt het een eigen atmosfeer op die desondanks niet afgesloten is van de maatschappelijke werkelijkheid, maar binnen die werkelijkheid a.h.w. een eigen bel creëert. Het is een ingesloten werkelijkheid met een eigen taalvorm en tekensysteem die de luisteraar dwingen ‘opnieuw te leren lezen’ – zoals uiteindelijk elke lezing tot op zekere hoogte een unieke leesvorm uitnodigt. Binnen die grenzen, binnen dat tekensysteem, bestaat echter een absolute vrijheid van expressie. Jazz is de muziek van de vrijheid, waarbij elke muzikant zijn eigen, unieke stem kan uitdrukken. Het is een muziek die inspeelt op zowel het sensitieve als het intellectuele. En het is een muziek van paradoxen: jazz nodigt zowel uit tot bruuske ademstoten als langgerekte, meanderende zinnen. Het nodigt uit tot herhaling, variatie en afwijking. Jazz beantwoordt de vraag voor een nieuwe, eigen taal. En dit is, tot op een zekere hoogte, wat literatuur hoort te doen. Schrijven draait voor een groot deel om de zoektocht naar een unieke taal die een unieke lezing uitlokt. Het uiteindelijke doel is niet zozeer een volkomen begrip na eerste lezing te ontzeggen, maar eerder de lezer uit te dagen, een nieuw perspectief en een nieuwe kijk op de werkelijkheid af te dwingen door de confrontatie met een ongekende, niet-alledaagse taal.
Maar bovenal betekent jazz voor mij: op een luchtige manier over zware onderwerpen praten. En dat is waar ik van hou in literatuur. Jazz vertaalt tragedie in extase, in lenige, verleidelijke melodieën. Het klinkt een beetje als een manische lach, een uitbarsting van vreugde om de pathetiek te bedekken. Jazz is een vorm van onderkoeling. Zoals de manier waarop Herman de Coninck zijn verdriet op speelse wijze weglachte, of eerder weg filterde. Of zoals Langston Hughes het uitzichtloze leven van de zwarte Harlemites een stem gaf in de extatische uitspatting ‘Sure, / I’m happy! / Take it away! / Hey, pop! / Re-bop! /Mop! / Y-e-a-h!’ Het draait om flirten, om relativering, negatie, understatement of iets daartussen. Natuurlijk is deze definitie slechts beperkt toepasbaar en geldt hij niet voor iedereen. Maar wanneer het op kunst aankomt, geldt dat voor zoveel definities. Dus houden we het bij iets onvolmaakts, maar persoonlijk. Want het zijn de persoonlijke betekenissen die ik de moeite waard vind.

Eén van mijn favoriete nummers, waar ik zo’n understatement, zo’n sensuele en liefelijke benadering van een tragisch verhaal zie, is ‘Oh Bess, oh where’s my Bess’ van Miles Davis. Op dit nummer werd de volgende tekst geschreven.

‘Dat ik je vertellen kon’

Je strijkt je hand over de fluwelen deken als over een maagdelijke poel, een vijver die voor het eerst bestreken wordt waar jij en ik één zouden worden, en knippert even met je lange wimpers, zoals op ons eerste afspraakje. Het was lente, de enige tijd van het jaar dat ik de moed vond om jou uit te vragen, de zon ging net onder. Je had een licht grijs kleedje uitgekozen, je leek haast te stralen. De lucht was dicht en zwoel, nog nadampend van de laatste regenbui en ik beklaagde me de dikke vest. Je was jong toen, dat ben je nog steeds, en je zat recht tegenover me aan tafel. Je wist dat het restaurant te duur voor me was, maar zei niets omdat je je bijzonder wou voelen en wist dat de magie zou worden verbroken zodra we het in woorden vastlegden, net als een mooi verhaal enkel in stilte kan bestaan. Ik wou je vertellen hoe mooi je eruit zag, maar kreeg geen woord uit mijn keel omdat de das zo strak spande. Je vond het schattig hoe ik me had opgedost, omdat het je vertelde wat je voor me betekende.

Ik wou dat ik het je nog steeds vertellen kon, nu, terwijl jij uit het raam van ons appartement staart en sereen de zonsondergang in je opneemt, je ogen sluit en stokkend in- en uitademt. En ik kom bij je, ik kom achter je staan terwijl je rilt en je armen om je schouders legt alsof je het koud had, hoewel het zomer is. Je kijkt me niet aan en ik raak je niet maar laat je weten dat ik er ben en altijd zal zijn. Verloren in het labyrint van jouw gedachten, zoals zo vaak de laatste tijd, schrijd je verder en trek je een nieuwe cirkel door de kamer. Deze kamer zou altijd van ons zijn. Je leunt tegen de koele, kale wand en verbergt je hoofd in je handen om even eenzaam te zijn, verscholen in een cocon van je eigen lichaam. Weer hef je het hoofd en hou je de kaken stijf op elkaar geklemd. Blik vooruit, kin omhoog en je loopt verder, traag maar standvastig, over de lege vloer met de warme gloed van de zon in je rug, waardoor je oranje oplicht. Je vingertoppen strijken nostalgisch langs de wand met het behangpapier waar we zo over discussieerden, alsof je iets probeert te grijpen dat er niet meer is. Jij wou hemelsblauw en ik wou vlinders en roze olifantjes, zoals in mijn kamer toen ik zelf een kind was. Roze olifantjes waren voor dronkenlappen, giechelde je, ‘en daarbij: patronen zijn zo jaren negentig.’ Ik vond dat we wel eens gek mochten doen, maar jij wou niet de rest van je leven op zo’n belachelijke beesten staren, waarop ik antwoordde dat we het na enkele jaren wel zouden vernieuwen. ‘Oh neen,’ grijnsde je met die blik die verried dat niets jou van je stuk zou brengen, ‘ik wil iets dat blijvend is, één keer en daarna geen twintig keer opnieuw!’ Ik lachte en greep je bij de polsen en wierp je op het bed om boven je te kruipen, om me machtig te voelen, en kuste je zacht terwijl mijn buik de jouwe streelde en fluisterde: ‘wil je dan niet bouwen aan ons huisje? Ik wil eeuwig blijven bouwen, eeuwig werken aan ons paradijs,’ waarna ik mijn neus langs je wang streelde en je in de hals kuste. Je begon te lachen en zei dat je me doorhad, met mijn slinkse manipulaties, ‘deze keer niet hoor,’ waarna je luidkeels gilde omdat mijn kussen in je hals kietelden. Uiteindelijk hielden we het op de middenweg; een hemelsblauwe wand met kleurschakeringen als patroon. En nog steeds weet ik dat je het liever anders had gezien. Zo ben je wel.

Ik wou dat ik je vertellen kon hoe mooi je was, nu je verdoofd door de kamer sluipt met je ogen op het niets gericht. Zo liep je hier vaak de laatste dagen; zonder een woord, zonder één geluid, zonder haast te zien wat deze kamer was. Jij keek ergens ander heen, naar en dwars door de wereld, naar de ijle lucht waaruit dit huis voor jou is opgetrokken. Naar het ‘niets’ die deze ruimte voor jou vormde.

Ik wou dat ik je vertellen kon hoeveel deze plek was, hoezeer dit ‘iets’ was, iets levends, ademend, waar schoonheid in geborgen zat. Waar leven was, waar het nog steeds kan zijn als we maar proberen.

Ik wou dat ik je vertellen kon hoe goed ik je ken en hoe ik je las zonder woorden, zonder de magie van stilte te verbreken. Zo weet ik ook nu dat je niet echt boos bent, terwijl je met je rug naar me toe slaapt en je dagen vult met stilte in de bijna volkomen lege kinderkamer. We hebben hem leeggemaakt, jij en ik, we wisten niet wat anders te doen. En ik weet dat jij er spijt van hebt en het tegelijkertijd nog leger had gewild. Ik wist altijd wat jij dacht, daar had ik geen bewijs voor nodig.
En ik ken jouw afwezige, roodomzoomde blik, de manier waarop je verkrampt over je buik wrijft alsof daar nog iets zit. Daar heb ook ik over gewreven, toen die gezwollen was. Die buik heb ik gekust en gestreeld en mijn hoofd erop te rusten gelegd en mijn oor langs jouw navel laten strijken en lieve woordjes gefluisterd terwijl jij met een boek in bed lag. Je vroeg of ik niet bang was, ik zei: ‘ja, maar juist daarom ben ik gelukkig.’

Ik wou dat ik vertellen kon hoe mooi het is geweest en dat er schoonheid is, in elke ademstoot, in elke vonk van leven en elk beetje tijdelijk geluk, maar ik weet dat ik jou niets vertellen kan, niets vertellen hoef, want zodra de stilte wordt verbroken, is de betovering voorbij en weet ik niet wat jij zal antwoorden. Dus laten we het hierbij; dit vacuüm, waar onze woorden eeuwig met deze kamer zijn verbonden. Waar alles is bevroren in dat ene moment: toen jij, hier, in deze kamer, met tranen van geluk enkel ja kon knikken en mee op je knieën ging.

Ik sluip naar je toe en zoek je blik, maar je lijkt in gedachten verzonken, in jouw typische trance. Je ogen zijn rood, ik wou dat ik ze kussen kon en je in mijn armen in slaap kon wiegen. Terwijl ik voor je sta en denk aan alle schoonheid en al het leven dat wij hebben gemaakt, laat je je buik los en grijp je met een krampachtige schok de leuning van de kribbe, in het midden van de kamer. Je helt huilend voorover en neemt een knuffel uit het bed, die maagdelijke poel. Plots laat je het weer vallen en grijpt naar je mond terwijl je lijkt te krimpen onder de schokken van je tengere lichaam. Ik neem je zacht in mijn armen en wil je hoofd op mijn schouder voelen en je zeggen dat alles mooi en hemels is en je nooit meer bang hoeft te zijn. Ik durf het, omdat ik je ken en weet dat het je troost zal bieden en jij, na een korte aarzeling, mijn handen in de jouwe zal nemen, speels als toen we jong waren. Maar jij, even speels als toen, trekt je weg en loopt met je hand op de mond de kamer uit. Je plaagt me en toont je gezicht niet om, zoals altijd, me op mijn honger te laten, méér te laten verlangen, wachten, opdat ik tonen kan hoe lang ik wachten zal op jou. Jij liet me altijd het ergste geloven wanneer er eigenlijk niets was. Zo kreeg je me klein en wou jij weten dat ik van jou was.

Ik wou dat ik het je vertellen kon, opdat jij zou zien wat ik zie, dat het helemaal niet erg is en dat wij samen verder kunnen, naar Parijs eventueel, dat wou je toch altijd? Dat ik je een brief kon schrijven waarin ik vertelde wat ik niet durf uit te spreken. Een brief die jij nooit las, want zodra de stilte wordt verbroken, is de betovering voorbij. Net als in het begin, toen ik niets meer kon zeggen maar wist dat wij, jij en ik, op dezelfde lijn zaten.

Het was een zaterdagavond in mijn vaste café. Ik zag jou zitten, op dezelfde plek als altijd, naast het meisje met de blonde krullen. Ik keek je aan en wist dat ook jij me al eerder had opgemerkt. Ik vertelde mijn vrienden dat ik even wat moest doen, stond op, nam mijn cola mee en wandelde recht op jou af. Je keek me aan en even dacht ik me om te keren maar plots was je zo dichtbij, pal voor mijn neus en ik begon te praten met het glas nog aan mijn lippen en proestte het uit. In de stilte die volgde, werden wij verbonden.

En in gedachten neem ik je in mijn armen en begraaf je jouw gezicht in mijn hals en voel ik de warmte van jouw adem en het kietelen van jouw haar tegen mijn lippen en zeg ik: ‘het was mooi, was het niet?’ waarna jij glimlacht en me dichter tegen je aandrukt.

Hoe Ik Schrijf

Een tijd terug, op de finale van een schrijfwedstrijd, gaf ik toe dat ik slechts onlangs had ontdekt wat schrijven was. Wanneer ik op die uitspraak terugblik, moet ik toegeven dat ik nog steeds niet heb ontdekt wat schrijven eigenlijk is. Waarom dan spreken over schrijven? Omdat schrijven zoeken is. Zoeken naar betekenis, naar een zin en zingeving, naar een verhaal, naar taal, naar een werkelijkheid en naar schrijven zelf. Die zoektocht moet, net als elke zoektocht, bij jezelf beginnen, bij dat onontkoombare centrum van de beleving en waarneming en moet als een spiraal vanuit dat individuele, beperkte perspectief naar buiten wentelen. Om op zoek te gaan naar wat ‘schrijven’ dan voor mij inhoudt, zal ik beginnen bij mijn schrijfmethode.

1) Het beeld.

Ik begin te schrijven met een beeld ingedachte. Soms duurt het slechts enkele minuten voor dit beeld zich voorstelt, soms enkele dagen. Maar wanneer je lang genoeg zoekt, daagt er altijd iets. Het is een vaag, troebel, sferisch beeld dat eerder met een ‘voelen’ te maken heeft dan met een ‘zien’ of ‘weten.’ Een beeld waar je geen vinger op kan leggen. En tegelijkertijd een haarscherp, concreet beeld dat slechts een fractie van een seconde omhelst en juist in haar vluchtigheid een overweldigende kracht draagt. Het is een beeld dat door die vage status volkomen leeg is van betekenis en definitie. Maar juist in die leegte en troebelheid, in het ‘niet zijn’ of ‘hol zijn’ staat dit beeld bol van de betekenis. Omdat alles betekenis in zich draagt – omdat de mens alles voortdurend betekenis geeft – en omdat betekenis uitdijend, associatief en grenzeloos is. Neem bijvoorbeeld: het geluid en gevoel van mijn uitgeputte adem die door mijn longen ruist, de zon die brandt in mijn gezicht en gereflecteerd wordt door witte vloertegels. Het is niet veel en veeleer sensitief dan cognitief, maar toch bevat het enorm veel. Hiermee begin ik te schrijven.

2) De oorsprong en uitzaaiing van betekenis – de eerste alinea.

Ik laat mijn tekst bepaald worden door de eerste alinea. Daarin zet ik het beeld, dat eerst vaag en onvast in mijn geestesoog leefde, in concrete woorden vast. Omdat dit beeld zoveel mogelijkheden biedt tot betekenistoekenning, kan het alle kanten uit en ga ik automatisch en op associatieve manier betekenis geven aan het beeld – omdat de mens automatisch betekenis toekent aan alles om zich heen, het is een spontane activiteit en één van de centrale, zingevende taken van de mens. Die betekenistoekenning gebeurt reeds tijdens het schrijven van die eerste alinea. Zo zal ik bijvoorbeeld de witte tegels associëren met die van het speelplein uit mijn kindertijd. De zon en hitte die mij langs alle kanten belagen verbind ik met een ketenend schuldgevoel. Het gevoel buiten adem te zijn, betekent voor mij dat ik net een vermoeiende activiteit heb uitgevoerd, mentaal of fysiek, die wrang aanvoelt. Die elementen leg ik enkel vast in mijn hoofd, de tekst zegt nog niets. Maar meteen staat de betekenis er en kunnen op basis hiervan een verhaal en een personage vorm vatten. Na die eerste alinea stop ik dan ook met schrijven. Ik leun achterover, neem afstand van mijn toetsenbord, neem een slok van mijn goedkoop biertje en lees mijn eerste alinea na. Ik kijk nog niet naar taal- en stijlfouten, dat leidt de aandacht af. Ik lees enkel de tekst om wat hij mij vertelt, om zijn inhoud. Daarna ga ik naar buiten en rook een sigaret. Tijdens die pauze breng ik een scheiding aan tussen mij en mijn tekst. Dit komt op niets anders neer dan jezelf op een afstand te plaatsen en de tekst niet als deel van jezelf te beschouwen maar als iets dat niets met jou te maken heeft. Met andere woorden: de tekst laten ‘betekenen’ zonder dat jij ervoor instaat of actief de betekenis gaat vastleggen, want elke tekst blijft betekenen in afwezigheid van de auteur. Concreet wil dit zeggen dat ik elke mogelijke betekenis die ik in de tekst zie, alles wat het bij me oproept en alles wat ik ermee kan associëren de vrije loop laat. Hier zien we hoe de uitzaaiing van betekenis zichzelf voltrekt. Zo bedenk ik op associatieve wijze talloze mogelijkheden – wat is de situatie, wat is er net gebeurd, wat is het gevoel, wie is het personage, wat is het vertelheden – die op hun beurt talloze alternatieven oproepen. Daaruit kies ik dan de optie de me het meeste aanspreekt en waar ik het meeste mee kan aanvangen. Bijvoorbeeld: ik beslis dat het ‘ik’ een jongen van tien jaar oud is die net een meisje heeft gepest op het speelplein en zich er schuldig om voelt, al beseft hij het niet ten volle. Het verhaal staat nog niet volledig vast, maar de basis is gelegd, de tekst begint te betekenen.

3) Continuïteit en herhaling.

Naast een betekenis, neemt ook een sfeer steeds meer een concrete gestalte aan. Die sfeer probeer ik zo helder mogelijk te vatten, te voelen en te geloven. Dan begin ik weer te schrijven. Tijdens het schrijven voltrekt het voorgaande proces zich steeds opnieuw en laat ik het ook actief gebeuren. Het gevolg is een voortdurende wisselwerking tussen betekenisuitbreiding en -verankering. Herhaaldelijk neem ik pauze en stel me steeds opnieuw dezelfde vragen: wie is het personage, wat voelt hij, wat denkt hij, hoe gaat hij hier mee om, waarvan is hij zich bewust en wat onderdrukt hij, wat is zijn relatie tot de andere personages, wat is hun rol, hoe gaan zij met de gebeurtenissen om, enzovoort.
Dit is slechts een begin, maar het is het meest cruciale onderdeel van het schrijfproces. Al wat daarna volgt is een herhaling van hetzelfde patroon. Ook na voltooiing van de tekst geldt dit: nalezen, me afvragen wat de tekst betekent en welke betekenis ik er bij kan bedenken, selecteren, schrappen wat niet past, betekenisvolle fragmenten toevoegen… Maar één ding staat vast: wanneer de tekst af is, blijft mijn eerste alinea ongewijzigd en weet ik dat alles reeds in die eerste zinnen verankerd ligt, het moest enkel nog onder woorden worden gebracht.

‘Gent, Gent’

‘Erik, blijf eens hier!’
‘En hij liep mij gewoon straal voorbij, alsof ik niet bestond!’
‘Bart! Is hij dat niet? Bart!’
‘Erik! Erik, stop eens even. Blijf bij mama, schat.’
‘Hoe ging Frans?’
Willem voelde aan de korsten op zijn bovenlip, zijn lippen waren uitgedroogd en de zon brandde, maar nergens was er een plek schaduw te vinden. Hij had dorst maar wou niet verder wandelen, dus zette hij zich naast Bram op de bank en ademde met zijn mond wijd open gesperd.
‘Kerel, ik zeg het je, daar is niks van waar.’
‘Sowieso dat ze me gaat buizen, wat ik ook doe.’
‘Vlakbij het station, gewoon aan de overkant linksaf.‘
‘Neen, neen, vijftien!’
Het was een drukke lentedag, de Korenmarkt werd overspoeld door jonge gezinnen, bureaucraten, mannen met baarden en luidruchtige pubers die net de school hadden verlaten. Terwijl hij delen van andermans gesprekken opving, tuurde Willem naar de kasseien en pulkte wat aan de korsten op zijn lip. Het zweet droop van zijn voorhoofd. Hij was buiten adem, al hadden ze amper gelopen, het was te warm om in Gent rond te wandelen. Hij rekte zich uit en liet een grijns ontsnappen terwijl hij het volk bekeek dat hun voorbijliep. Naast hem keek Bram zwijgzaam voor zich uit.
Toen hij negen jaar oud was en hun moeder laat thuiskwam en vluchtig een maaltijd in elkaar flanste met enkele blikken ravioli uit de Colruyt, klaagde Bram dat hij geen zin had in ravioli – ‘dat heeft geen smaak, ik wil frietjes!’ Daarop barstte hun moeder uit in tranen en schreeuwde dat ze verdomme overuren had moeten doen omdat Bea niet was komen opdagen en alles nog eens in het honderd was gelopen en ze niet eens had kunnen middageten en zich dan naar huis moest haasten om daar wat eten op tafel te kunnen zetten en dat ze verdorie ook eens mochten helpen in huis en als het hun niet zond, dan aten ze maar niets – terwijl ze hysterisch de borden bijeen raapte en in de vuilbak kiepte. Daarna bleef Bram aan tafel zitten en staarde zwijgzaam en verdwaasd voor zich uit, alsof hij het niet begreep en vergeefs poogde te vatten; alsof hij de wereld niet begreep. Zo keek hij ook nu. Hij was die ochtend naar Gent gekomen. Bram was enkele jaren ouder dan zijn broer en werkte al. Hij huurde sinds twee jaar een appartement in Strombeek, dicht bij hun ouders.
(Een moeder nam haar kind stevig bij de hand en leidde hem langs de tramsporen over het plein terwijl het kind huilde en met zijn vrije hand in zijn oog wreef. Willem herinnerde zich zulke scènes en glimlachte.)
‘Waarom lach je?’ vroeg Bram. Willem keerde zich naar zijn broer en knikte hijgend het hoofd van links naar rechts. Hij deed zijn trui uit en leunde languit achterover op de bank en tuurde naar de toren van de Sint-Niklaaskerk. De zon prikte op zijn oogleden, waardoor hij zijn ogen moest dichtknijpen.
Willem herinnerde zich hoe Bram hem ooit bijna verblind had door met een bus Ajax in zijn ogen te spuiten. Daarop was hij huilend, met zijn beide handen voor zijn ogen de trap afgehold naar de woonkamer. Toen hij kermend van de pijn binnenstormde nam zijn moeder hem meteen in haar armen en leidde hem haastig naar de keuken waar ze met water zijn ogen besprenkelde. Intussen bleef zijn vader ongestoord naar de televisie kijken en stamelde Bram in tranen dat hij dacht dat de bus gesloten was. Soms kon hij werkelijk verbaasd zijn om zijn eigen daden, alsof hij nooit besefte wat hij deed, of nooit over iets nadacht, maar gewoon ‘deed.’
Bram keek weer voor zich uit, wachtte op een antwoord en luisterde naar een jong koppel dat enkele meters verder gedempt zat te bekvechten.
‘Ik heb het je nog zo gezegd – ‘
‘Ja, maar – ‘
‘Schat, je gaat me niet vertellen dat je dat al vergeten was.’
‘Ik weet het wel, maar –‘
Fluisterend kibbelden ze verder. Bram pookte Willem schuchter lachend in zijn zij en wees naar het koppel. Willem keek mee, luisterde even en knikte, maar het schouwspel leek hem niet te boeien. Toen hij zich weer naar de kerktoren keerde, stopte Bram met lachen en bedacht wat te zeggen. (Een peuter holde enkele duiven achterna en zijn moeder riep dat hij niet mocht weglopen, ze waren reeds laat.)
‘Wist je dat Anne-Marie gaat trouwen? Het lijkt wel een eeuwigheid geleden.’
Willem reageerde niet en stak met gepijnigde blik een sigaret op. Bram maakte aanstalten om ook een sigaret te nemen, maar besefte plots dat hij er geen op zak had. Willem begreep de blik van zijn broer en bood hem zonder woord een sigaret aan, waarna hij de rook diep inademde en met zijn tong zijn lippen likte en smakte omdat de sigaret zijn mond enkel droger maakte.
Die ochtend had Bram Willem onverwacht opgebeld met de boodschap dat hij langs zou komen. Ze hadden elkaar haast een jaar niet gesproken en het weerzien was onwennig; Bram had aangebeld zonder enig idee wat te zeggen, waardoor hij knullig grijnsde en meewarrig met zijn hoofd knikte toen zijn broer de deur opende en hem begroette. ‘Dus. Vanwaar dit bezoek?’ vroeg Willem. ‘Oh, zomaar,’ antwoordde Bram, waarop hij met zijn handen in zijn zakken verstrooid door de kamer speurde. ‘Tof kot,’ zei hij en wees naar een houtskooltekening aan de muur. ‘Ja, die heb ik zelf gemaakt,’ antwoordde Willem, waarop zijn broer knikte en zijn hand weer in zijn broekzak stopte en op het bed ging zitten. Willem nam een pint uit de koelkast en gaf hem aan zijn broer, waarop die hem bedankte en vertwijfeld rondkeek alsof hij zijn broer niet in de ogen wilde kijken. Uiteindelijk zei hij: ‘dus je tekent nog?’
Misschien had hij gewoon moeten bellen, dacht Bram terwijl hij naar het volk op de Korenmarkt keek (hij voelde het zweet langs zijn wervel naar beneden druipen terwijl hij tegen de bankleuning zat en boog voorover om zijn rug meer lucht te geven.) Het was al te lang geleden sinds ze elkaar hadden gezien en hij was ook niet de beste persoon om zulke boodschappen over te brengen. Hij was altijd te direct, te kortaf als het op serieuze onderwerpen aankwam, alsof hij de wereld slechts zakelijk bekeek, als een machine – niet omdat hij er niets bij voelde, maar omdat hij niet wist hoe hij spreken moest en tegelijkertijd oprecht kon zijn. Spreken was voor het luchtige, het triviale.
(In de verte gilde een jonge blondine. Ze rende giechelend langs het portaal van de Sint-Niklaaskerk, achternagezeten door een Marokkaanse jongen met een kortgeschoren kapsel en een duur hemd. Niemand keek naar hun om terwijl de jongen haar inhaalde en in zijn armen greep en zij gilde: ‘Neen! Stop!’)
De hitte leek haast een straf van God, dacht Bram terwijl hij met zijn tong speeksel probeerde te verzamelen om te slikken en zijn keel te bevochtigen. Hij keek zijn broer aan die nog steeds statisch met zijn gezicht in de zon blakerde, en zei: ‘het wordt tijd dat het eens regent,’ waarop Willem met zijn gesloten ogen naar de hemel gericht ‘ja’ antwoordde. Bram knikte, zoekend naar een toevoeging, maar wist niets te zeggen en bestudeerde de nakende wolken terwijl hij bleef knikken.
Toen hij zo’n zeven jaar oud was had hij Willem eens een hele dag in de regen laten staan. Hun ouders waren weg en hij moest op zijn broer passen. Het was al de hele ochtend aan het regenen en hij daagde Willem uit om in de regen te lopen, in ruil voor een zak snoep. Zodra Willem de deur was uitgehold, deed Bram die dicht. Willem begon op de deur te bonken en Bram trok gekke bekken aan het raam. Toen hun ouders ’s avonds thuiskwamen, stond Willem verkleumd aan het raam te snikken. Hun moeder werd woest en haalde de jongste in paniek naar binnen terwijl ze Bram een opdonder gaf. Willem was onderkoeld en heeft de rest van de avond bevend in de zetel gelegen. De zak snoep heeft Bram hem nooit gegeven. (De sigaret smaakte hem niet, het was veel te warm en zo droog dat hij amper kon slikken en intussen zelfs gestopt was met zweten.)
Willem keerde zich tot zijn broer en vroeg formeel: ‘hoe is het met pa?’ Bram leunde achteruit om zijn rug uit te rekken en zijn wervels te kraken.
Hun vader was een koelbloedige, afstandelijke man, stoïcijns en nuchter in zijn kijk op de wereld. Toen de motor van hun wagen op terugweg uit Frankrijk oververhit raakte en begon te roken, reed hij de Renault zonder één kik naar de pechstrook, beval iedereen kordaat en helder uit te stappen terwijl hun moeder gilde en huilde in de passagierzit, belde de Rijkswacht op, zette de motor in vierde versnelling zoals de man aan de andere lijn hem gebood en stapte rustig uit. Terwijl Bram vol bewondering naar zijn vader keek, klemde hun moeder Willem jammerend in haar armen.
‘Goed… goed,’ antwoordde Bram weifelend terwijl hij de volle terrasjes en restaurants afspeurde, alsof hij iemand zocht of het leven van anderen bestudeerde – in de hoop op enige ingeving of om een leegte te vullen of te weten dat hij net als alle mensen is. (Naast hem pulkte Willem nog steeds aan de korsten op zijn bovenlip – hij had altijd al die compulsieve drang om wonden open te krabben.)
‘Ik zweer het je, als die trut nog één woord tegen me zegt, of me zelfs maar aankijkt, ik doe haar wat aan!’
‘Maar alez, dat is toch niet zo erg.’
‘Niet erg? Als je eens naar de les zou komen, Tom, zouden we het je nu niet meer moeten uitleggen.’
‘Zeg, gaan we intussen ergens zitten?’
‘Ja, Damberd?’
Hun stilte werd overheerst door een groep jongeren die luidruchtig zaten te palaveren. Willem hield van dat geluid, hij hield van mensen om zich heen, mensen die lachen, leven, verhalen van anderen vertellen. Tijdens zijn eerste maand op kot was hij eens uit eenzaamheid door Gent beginnen wandelen; langs de Coupure naar Verlorenkost, naar de Kouter, door de Veldstraat, voorbij de Korenmarkt, de Groentenmarkt, de Vrijdagsmarkt en helemaal tot Sint-Amandsberg. Hij was eenzaam zonder familie om zich heen en zijn moeder die voortdurend en op de meest ongepaste momenten zijn kamer binnenstormde en hem een half uur lang aan de praat hield met richtingloze vertelsels over banale onderwerpen om maar te kunnen praten. Daar stoorde hij zich vroeger altijd aan, maar zodra het er niet meer was, miste hij het.
(Een man in maatpak sprak een vrouw aan en vroeg of ze de weg kende naar de Minardschouwburg, ze antwoordde dat ze ook die richting uitging en wel even zou meelopen.) Bram merkte dat Willem hen aankeek en zei dat hun ouders elkaar ook zo hadden ontmoet; hun vader was verdwaald in Brussel en sprak de eerste vrouw aan die hij tegenkwam. Terwijl hij het vertelde keerde hij zich met een vaderlijke glimlach naar zijn jongere broer.
Dat verhaal kende hij reeds, dacht Willem. Zijn moeder had het hem wel duizend keer verteld, toen ze samen weer als laatste aan tafel zaten en zij in een nostalgische bui over vroeger vertelde.
(De twee mensen verlieten het plein richting de Veldstraat, Willem keek hun dromerig na terwijl Bram hem nog steeds vaderlijk aankeek en nerveus met zijn vingers begon te spelen.)
‘Hoe is het ermee, nog steeds tevreden over het appartement?’ had Willem die ochtend gevraagd. Bram rolde de pint door zijn vingers terwijl hij zenuwachtig op het bed wiebelde en door de kamer tuurde. ‘Euh… ja, goe-goed…’ Daarna nam hij een fikse teug van zijn pint en knelde zijn tanden op elkaar en keek Willem afwachtend aan.
‘Dus? Wat brengt je naar hier?’ vroeg Willem om de stilte te breken. Bram stond op, zette de pint naast zich neer op het bureau en sloot het raam. Hij keerde zich tot Willem, kuchte even en zei mechanisch, terwijl hij naar de vloer keek: ‘moeder is weer ziek. Je moet haar eens opzoeken. Ze denken niet dat ze het deze keer zal halen.’
Bram stond op, rekte zich uit en nam een laatste trek van de sigaret voor hij die op de grond wierp en uittrapte. Het was geen goed idee, hij wist dat hij had moeten bellen, hij wist dat het zo zou lopen. Willem had gevraagd naar de Korenmarkt te gaan. Dat was het enige wat hij zei toen hij het nieuws ontving. Bram begreep wel waarom, hij had zijn broer toch niets kunnen bieden, enkel stilte.
Willem keek naar zijn broer en vervolgens naar de nakende wolken. Zijn moeder had hem ooit verteld dat hij haast gestorven was bij de geboorte. Hij was vijf weken te vroeg en zo klein en zwak dat hij amper kon ademen. Hij sliep toen hij uit de buik kwam en ze dachten dat hij dood was. Wel een halve minuut schudde de gynaecoloog de baby door elkaar voor hij een zwakke, schriele kreet uitstootte. Ze wilden hem zo snel mogelijk in de couveuse leggen, maar zijn moeder wou hem niet afstaan en hield hem in haar armen geklemd, dicht bij haar borst terwijl ze stil een kinderliedje zong. Uiteindelijk hebben ze hem naar de couveuse gebracht, waar zijn moeder de volle vijf weken toezicht heeft gehouden om zeker te zijn dat alles goed met hem ging.
Hij zag hoe Bram zijn rugzak weer opnam en dacht te vragen waarom zijn broer niet gewoon gebeld had, maar besloot het niet te zeggen. ‘Ik moet eens naar huis,’ zei Bram terwijl hij de markt afspeurde en zijn GSM uit zijn broekzak nam om te kijken hoe laat het was. Zonder nog naar Willem om te kijken vertrok hij. Willem keek hem niet na, maar tuurde over het plein terwijl de eerste druppels vielen.
‘Trouwens, heb je toevallig nog enkele snaren op overschot? Van je klassieke.’
‘Welke moet je hebben?’
‘D?’
‘Ok.’
Willem keek naar het volk om zich heen, naar de eb en vloed van leven, van mensen die door elkaar voortschrijden als een hoop mieren, schijnbaar gestuwd door niets meer dan het leven zelf. Het begon harder te regenen, hij zag hoe het volk geleidelijk het plein verliet en als een waaier uiteen ging, op zoek naar beschutting. (Een jong koppel holde achter de tram aan, het meisje gilde schaapachtig.) Hij keerde zich naar boven, sloot de ogen om de druppels op zijn oogleden te voelen terwijl het steeds harder begon te regenen en de mensen in allerijl de cafés binnenliepen.
‘Snel schat! Neem mijn hand, we gaan lopen.’
‘… En als je er dan een gat in snijdt… Oh, shit.’
‘Godver, ik heb geen kap.’
‘Rennen, snel!’
‘Waarheen?’
‘Damberd!’
Geleidelijk sijpelde het volk weg, als insecten voor het licht. Het plein stroomde leeg. Het geluid doof uit tot Willem enkel nog het ruisen van de regen hoorde en de druppels tegen zijn kaken voelde spatten. Het was weer stil in Gent.

‘Open Happiness’

Ik open de colafles. Open Happiness, zegt de dop. Geluk smaakt zoet en warm en plakkerig. Eigenlijk heb ik geen zin in cola, het smaakt te bekend en ik ben niet hier om bekende paden te bewandelen. De laatste restjes van mijn hamburger en frieten werp ik in de vuilbak. Koud smaakt het me niet meer. Enkele sporen verder staat een oude trein stil, de lichten uit. Op de middelste wagon staat in graffiti geschreven: ‘Vous avez l’heure, Nous on a le temps.’ Ik lach omdat ik het best leuk vind. Ik voel me verbonden op een dieper niveau.
Wat verder zit Djimou op een bank. Althans, ik denk dat hij zo heet. Hij is de oude zwarte dakloze van perron twaalf met de uitrafelende sandalen, de zwarte nagels en tanden, de natuurlijke dreadlocks en de zakken vol versleten dekens, bacteriën en alcohol. Hij hangt altijd rond in het Noordstation. Ik geloof dat hij hier woont. Zijn favoriete plek is dit perron. Het is het perron waar je liefst niet komt. Om een of andere reden ben ik hier op dit onherbergzame uur toch beland. Dus besloot ik maar de laatste trein te nemen. Naar ergens, of nergens. Eender waarheen, als het maar elders is. Want elders is altijd beter. En maak je geen zorgen, ik kan altijd ergens terecht – in elke stad ken ik de voortreffelijkste hotels. Ik geloof dat dat het is: geluk. Zich veilig voelen in de absolute ontsporing, geborgenheid in een grenzeloos ruim.
Naast mijzelf is enkel Djimou hier nog. In tegenstelling tot mij wacht hij niet op de laatste trein. Ik ken hem. Hij heeft mij wel eens aangesproken, elke keer in een andere taal. In het Frans, Engels, gebrekkig Nederlands, een of andere Slavische taal en zijn moedertaal – het klonk exotisch en rook naar verse, zongerijpte mango’s en pindanoten en bananenbladen zo groot als een parasol en gigantische kevers en regenboogkleurige vogels die zongen in exotische tongen. Soms sprak hij ook alle talen tegelijkertijd – het klonk als iets wat klinkt als Algemeen Brussels.
Meestal vroeg hij om geld. Om hem te steunen; om zijn gezin te steunen; om het verbond der Brusselse daklozen te steunen met een handtekening en, zoals op de volgende pagina staat aangeduid, een bijdrage van minimaal vijf euro; om de strijd tegen racisme aan te gaan door een zelfgemaakt antiracisme-bandje te kopen… Maar ik mag hem. Omdat wij gelijken zijn. Want ook ik ben, in het diepst van mijn wezen, een landloper die leeft op straat, ook ik een nomade die drangt naar vrijheid en bandeloosheid. Ook ik ben Outlaw in het diepst van mijn gedachten.
Ik wil hem leren kennen. Om mezelf te leren kennen.
Ik besluit dat het deze keer aan mij is hem aan te spreken. Ik ga naast hem staan en schuifel zenuwachtig met mijn nieuwe All Stars over de grauwe vloer. Djimou kijkt me niet aan. Hij ruikt naar drank en sigaretten en de straat. Ik krijg zin in sigaretten. Ik haal een Gauloise boven en volg Djimou’s blik. Hij lijkt nergens naar te kijken of hoogstens naar een punt voorbij de sporen. Plots kijkt hij mij aan, ik geef hem een sigaret en vuur. Mijn cola zegt: ‘Share a coke with Simon.’ Misschien vind ik Djimou eens. Ik bied hem het flesje aan, hij gromt en zegt dat ik hem liever mijn geld geef. Ik lach, en hoop dat het ook werkelijk als grap bedoeld was. Neen. Ik hoop dat het niet gemeend was. Ik antwoord dat ik zelf geen geld heb en voel de armoede uit mijn poriën stralen en straal van stiekeme trots.
‘Wat doe je hier,’ vraag ik hem. Hij kijkt me aan alsof het een domme vraag was en bromt iets in zijn moedertaal: ‘Nyie watu weupe mnakwenda kanisani na kuongea kuhusu Mungu.’ ‘Dumb white boy,’ zegt hij terwijl hij me met zijn glanzend witte ogen van kop tot teen afspeurt. Ik heb mijn nieuwe lederen jas van Bugatti aan, hij mag gezien worden. Het is trouwens een feit dat mensen die zichzelf verzorgen vaak ook gelukkiger zijn. Djimou gromt even, keert zich weer om en neuriet een Afrikaans lied. Het klinkt als speelse tamtams bij een kampvuur en tropische, zwoele nachten met naakte negerinnen en dronken avonturen in sensuele oerwouden. Weer bied ik hem mijn cola aan, Open Happiness. Hij wuift het weg en zegt dat ik niets weet, waarna hij me vraagt wanneer ik nu eindelijk mijn geld ga geven. Zijn ogen fonkelen, zijn huid glimt. Hij rochelt en spuugt. Ik steek mijn hand in mijn broekzak en aai mijn iPhone geruststellend.
‘Wat doe je hier?’ probeer ik nogmaals. Hij grijnst en schud zijn hoofd alsof hij iets weet wat ik niet weet. Ik wil dat hij het me vertelt.
‘J’attends,’ zegt hij. Een lamp knippert en gaat uit.
‘Op wat?’ Hij wiegt heen en weer en staart naar de verlaten treinsporen. Er schuilt een droefenis onder zijn blik.
‘Op de leegte,’ zegt hij met hoorbaar cynisme. Steeds meer voel ik me verbonden met mijn pure, primitieve mens.
Weer bemerk ik de trein met het opschrift ‘Vous avez l’heure, Nous on a le temps.’ Ik herhaal de woorden luidop en knik betekenisvol, alsof ik Djimou herinner aan het inzicht dat wij delen. Hij lacht niet, maar laat een boer en neemt een slok van zijn wodka. Hij merkt dat ik naar de goedkope wodka kijk en ontbloot zijn zwarte tanden terwijl hij de fles heft: ‘happiness is a drug, no?’ Ook zijn geluk kwam in liquide vorm. Even later vraagt hij waarom ik met hem praat. Ik ben blij dat hij het vraagt. Trots antwoord ik dat ik hem wil leren kennen. Hij lacht luidop, blijkbaar vindt hij dat wel grappig. ‘C’est pas Bruxelles ici, c’est Istanbul,’ zegt hij met plezier, waarna hij zich weer afwendt en ernstig voor zich uit staart. ‘Neen. Jij wilt je gewoon beter voelen.’ Ik ben geschokt. Ik zeg dat ik geen racist ben, au contraire! Weer ontbloot hij zijn rotte tanden, ‘You know nothing.’ Geschoffeerd werp ik me in de verdediging en maak duidelijk dat ik meen wat ik zeg. Ik wil hem leren kennen en heb enkel het beste met hem voor.
Weer lacht hij en antwoordt: ‘Maar dat is het net. Ik wil jou niet leren kennen.’ Hij schudt zijn hoofd en neemt een slok wodka, waarna hij weer in zijn gedachten wegebt. ‘Rêver, c’est pour ceux qui n’ont plus de rêves,’ zegt hij met zijn schorre maar heldere stem alsof het tot een publiek gericht is. ‘Et maintenant, casse toi avec tes illusions.’ Ik krijg er bijna tranen in mijn ogen van. Ik heb met hem te doen. Ik wil hem vertellen dat ik hem begrijp, maar het is te laat. ‘Get on your train, white boy. Before I rob you.’ Hij neuriet een Afrikaans lied terwijl ik hem de rug toekeer. De deuren sluiten, ik ga verder op mijn dwaaltocht, mijn pelgrimstocht naar de leegte die ik verkennen zal en laat hem achter. Mijn Djimou, mijn deelgenoot. Ik wou dat ik hem had kunnen vertellen dat wij hetzelfde zijn. Ik geloof dat het hem een oplossing had kunnen bieden.
Door het beslagen glas kijk ik hem na. Vol vervulling draai ik de dop van mijn colafles open en neem een slok. Buy, Open, Consume Happiness.

‘De Armband’

De woonkamer zag er uit alsof hij zelf niet meer wist wat hij was. Enerzijds leek de ruimte voorbereid op een moord: alles was bedekt met lakens en op de vloer lag een groot plastic zeil. Maar het enige dat hier vermoord was, waren vijftien kratten Cara pils, vermoedelijk op dezelfde avond. Anderzijds leek het of iemand er maandenlang in had gekampeerd. Wellicht was dat ook zo. Behalve een matras op de grond stonden er enkel kartonnen dozen met opschriften als ‘Joos DVD’s,’ ‘Joos Games,’ ‘Joos Nunchucks’ en ‘Joos schnitzel.’ Wat in die laatste zat durfde Geert niet te raden. Het enige wat niet verpakt was of bedekt met een wit laken was de sofa die naar verluidt nog van Joos’ overgrootmoeder was. In die stoffige sofa zat Joos. Hij nam een grote slok van zijn blikje, een druppel bier droop over zijn kin. De alleenstaande dertiger leunde zelfvoldaan naar achteren waardoor zijn met tomatensaus besmeurd onderlijfje naar boven kroop en zijn onderbuik ontbloot werd. Voor iemand die hele dagen niets anders deed dan bier drinken zag die er nog merkwaardig vlak uit. Niet eens een buikje, dacht Geert.
‘Weet je wat het is? Ik geef gewoon niet om materiële voorwerpen. Ik ga in tegen de materialistische religie, Geert. Ik geloof niet in jouw goden.’ Zijn linkeroog knipperde bij het woord ‘goden.’ Hij wreef erin en keek vervolgens naar zijn vinger om te zien of er iets op zat. Daarna krabde hij met dezelfde vinger in zijn neusgat en keek ook daar naar. Hij was ook nog eens kort, heel kort, besefte Geert. Als hij nu eens een buikje kreeg, kon hij doorgaan voor een oempa-loempa op zijn vrije dag. Alleen nam een oempa-loempa nooit een vrije dag en Joos nooit een werkdag.
‘Nu even serieus. Dan kan je nog de intellectueel uithangen, je hebt gewoon geen respect voor andermans bezit, dat is al.’
‘Imponeer ik je wanneer ik zulke dingen zeg,’ zei Joos met waarneembare trots. Dat, dacht Geert, dat kan ik niet uitstaan. Iedereen als de maatschappij overzienende filosoof op de vingers tikken wanneer, God zie hem toch, hij daar zit met zijn Mickey Mouse pantoffels, op een dinsdag dan nog wel. Neen, een arbeidsethos heeft hij niet. Geert daarentegen was een behoorlijke werker. Ja, hij kon zich zelfs beschouwen als iemand die het had gemaakt in het leven. Iemand die een leven had opgebouwd.
‘Dat is trouwens absoluut niet waar. Jij bent gewoon zo ingenomen door de materialistische gedachte dat jij het verlies van iets wezenlijks, van een menselijke band ervaart als een materieel verlies. Omgekeerd symboliseert het verlies van die armband voor jou een totaal verlies, een volledige ineenstorting op spiritueel, sociaal, intermenselijk en mentaal vlak.’ Joos zag dat hij te ver was gegaan toen Geert verloren voor zich uit staarde en nerveus in zijn broekzak wriemelde. Om het goed te maken zei hij: ‘mijn excuses, ik wou je niet beschimpen van andermans kwalen, noch kleineren, ik ben te ver gegaan, ik weet het.’ Geert maakte aanstalten om wat te zeggen, om tot de kwestie te komen, maar Joos sprong als een brulkikker op speed uit de zetel en greep hem stevig bij de schouders. ‘Zet je even, ontspan man, je ziet eruit alsof je in maanden geen seks hebt gehad! Kom, dan praten we even gezellig bij en laten we de hele kwestie achter ons.’ Geert stamelde wat, zocht een excuus om niet te zitten, maar kon niet ontsnappen uit de krachtige greep van zijn zwager die hem naar de sofa leidde. Nu ik erover nadenk, dacht Geert, ziet hij er ook werkelijk uit alsof hij speed heeft genomen. Zodra Joos weer met een schijnbaar vastgeroeste glimlach ging zitten, zette Geert zich onzeker recht en speelde met het wieltje van de aansteker in zijn broekzak.
‘Joos, ik ben hier echt niet mee opgezet. Waar is die armband dan?’
Joos slaakte een ostentatieve zucht, rolde ostentatief met zijn ogen en keek Geert met ostentatieve deernis aan, als een wereldwijze Italiaanse mamma die wel weet hoe die knullige buschauffeur de bocht tussen Via Salvo en Via Conduttinarizzina moet nemen. ‘Maak je je daar nog steeds druk om? Ben je enkel daarom naar hier gekomen? Jezus, ik dacht dat je wat wou bijpraten, misschien een biertje drinken. Maar goed, als je me niet als vriend ziet en hier met slechte voornemens mijn woonkamer binnenwandelt om me te beschimpen en misbruik te maken van mijn gastvrijheid, goed dan, zoals je wilt. Ik heb hem verkocht.’
‘Verkocht!? Hoezo, wat, wat, hoe…?’ Geert maakte zich klaar om in een berekende litanie uit te barsten en begon reeds opgehitst heen en weer te lopen tussen de sofa en de televisie, als een hongerige tijger in zijn kooi, op het punt om brullend toe te slaan. Ja, een tijger. Always on top, dacht hij bij zichzelf en richtte met precisie zijn doordringende, vurige blik op Joos. Die zal hij voelen, meende hij.
‘Dus dat is hoe je je erbij voelt. Dan geef je toe dat die armband de enige reden voor jouw komst is? Moet je me dan niet? En ik dacht dat we vrienden waren.’ Hij keek zielig, liet zijn mondhoeken theatraal afzakken en boog verslagen voorover. Al wat er aan ontbrak was een smartelijke ‘Oo,’ gevolgd door een langgerekte, weemoedige zucht.
Geert zuchtte, bezweek en ging naast Joos op de sofa zitten. Hij legde zijn handen onwennig op zijn knieën en probeerde een ontspannen en open houding aan te nemen. Hij vroeg zich af hoe dat vorm hoorde te krijgen. ‘Hè Joos,’ zei hij met oprecht geprobeerd medelijden. ’Zo moet je dat toch niet opvatten.’
‘Zie je me dan als vriend?’ Joos begon zacht op en neer te wippen en beet vol afwachting op zijn onderlip. Geert nam een moederlijke pose aan, klaar om Joos over zijn kruin te aaien en zei verontschuldigend: ‘ja… Joos, je bent natuurlijk mijn –‘Joos begon hysterisch te lachen en sloeg Geert op de arm. ‘Ik neem je maar in de maling, man! Ik wou het je even ongemakkelijk maken. Ik weet wel hoe moeilijk je het hebt om je gevoelens te uiten, je bent ook zo gespannen en, nou ja niet bekrompen, maar…’ Hij kreeg tranen in de ogen en Geert was niet zeker of de jongen lachte of stikte. Daarnaast kon hij het absoluut niet met Joos eens zijn. Dat die jongen geen sociale grenzen had, betekende nog niet dat hij bekrompen was. Integendeel, hij kon met alle objectiviteit stellen dat hij een zeer verdraagzame, openhartige en ontspannen man was.
Joos veerde uit de zetel en spurtte naar de keuken waar hij een blikje bier uit de koelkast grabbelde. ‘Ja, ik wou maar zeggen dat – hier drink op – dat je je helemaal niet schuldig hoeft te voelen omdat je hier bent gekomen voor die armband. Zeker binnen de huidige omstandigheden begrijp ik jouw frustratie volkomen.’ Geert weigerde het biertje en maakte aanstalten om verder te informeren naar de locatie van de armband toen Joos hem broederlijk bij de arm greep en zei: ‘ik weet dat je niet helemaal op je gemak bent tegenwoordig, maar je hoeft je echt nergens voor te schamen.’ Hij gebaarde naar de treurige, met plastic zeilen en vermoorde bierblikjes bekleedde woonkamer en riep dolenthousiast: ‘dit is mijn tempel, man, hier is alles open, alles op tafel, hier ontdoe je je van dat beklemmende maatpak, die bekrompen burgerlijke regeltjes en ben je gewoon wie je bent, hier is alles eerlijk en oprecht. Dat ben ik ook: oprecht. Recht door zee.’
‘Eerlijk, Joos,’ viel Geert in terwijl Joos hem voor de tweede maal het blikje bier in de handen duwde en Geert het voor de tweede maal terug duwde. Hij kwam echter niet verder, Joos bleef als een jojo op XTC doorgaan alsof hij niets gehoord had en gesticuleerde onophoudelijk met zijn armen.
‘Ik weet dat je wat onwennig was bij me in het begin en me misschien niet zo erg mocht, maar dat begrijp ik ook volledig. Ik bedoel, ik heb inzicht en ken mezelf. Ik weet dat ik niet beperkt ben door die sociale gedragscode van opkropping en terughoudendheid waar jij mee bent opgegroeid – mogelijk heeft het iets met mijn afkomst te maken, ik bedoel: bij mijn zus zie ik het ook, zij draagt ook die typisch Europese geslotenheid in zich. En daardoor kan ik initieel wel wat brutaler of opener overkomen en dat schrikt af, dat snap ik. Maar goed, we gaan het nu niet over mijn etniciteit hebben, daar wil ik liever niet over praten.’
Geert stond perplex, hij wist werkelijk niet meer wat hij daarop hoorde te zeggen.
‘Ik weet het, ik praat snel hé,’ zei Joos plezierig, waarna hij begon te grinniken en hikken. Vervolgens probeerde Joos alsnog het blikje bier in Geerts handen te duwen. Geert duwde het subtiel terug om, zoals het een man van zijn status betaamt, duidelijk maar niet onvriendelijk teken te geven dat hij werkelijk geen bier wilde. Plots liet Joos het blikje los waardoor het bier op de matras goot.
‘Wat doe je nu? Dat is een nieuwe matras! Nu maak je het helemaal vuil!’
Geert stamelde, probeerde zijn excuses aan te bieden en bedacht hoe hij hier nu nog snel buiten zou geraken. Gewoon kordaat zijn, Geert, dacht hij, wees eerlijk, wees oprecht, recht door zee. ‘Het spijt me, sorry, sorry! Hier, ik zal het je wel terugbetalen.’
Met grote gebaren wuifde Joos het geld weg. ‘Ik geef daar toch niet om. Geld kan me niets bommen. Weet je, dat is het ‘em nu. De mensen denken dat ik niet meedraai in de maatschappij. Maar ik ga er juist tegenin, ik toon mensen dat het anders kan. Drink nu wat. Ontspan!’ Hij begon te grinniken en heen en weer te wippen. ‘Moet je jezelf zien man, je lijkt wel of er een dildo in je reet steekt!’ Weer begon hij te lachen als een epileptische homoseksueel op helium. Hoe kan een mens nu ontspannen bij iemand die eruit ziet en zich gedraagt als een opwindaapje, dacht Geert, waarna hij zichzelf indachtig paaide om zijn gevatte formulering. Die moet ik opschrijven!
‘Ja, Joos, het spijt me, maar ik zou die armband wel graag terug hebben. Als Elena hierachter komt.’
‘Goed goed,’ zei Joos met geoefende, routineuze teleurstelling. ‘Mijn zusje wil ik niet boos maken, daar heb je een punt.’ Mooi, dacht Geert, waarop hij zich rechtzette en vroeg of ze hem dan meteen konden gaan halen.
‘Best,’ zei Joos en hij dronk zijn bier leeg. ‘Maar wil je eerst nog wat voor me doen? Ik moet gewoon nog wat tabak halen in de krantenwinkel. Maar die armband krijg je, Elena wil ik absoluut niet over de rooie krijgen. Ik weet niet waarom, wellicht omdat ik geadopteerd ben, maar ze heeft me nooit werkelijk kunnen aanvaarden. Zie jij dat ook? Maar je zal vast niet over Elena willen praten, ik zwijg.’ Voor Geert er wat kon tussen brengen zat Joos al in de passagiersstoel van Geerts Mercedes, zijn gordel om te doen.

‘Ken je die film?’ Geert probeerde zich op de vrachtwagen voor hem te concentreren die deed alsof hij ergens heen moest maar eigenlijk doelloos rond doolde en dus volkomen onberekenbaar was. Naast hem slurpte Joos van zijn blikje bier. Waar dat vandaan kwam was hem een raadsel. Hij hoopte maar dat Joos niet op zijn nieuwe vloerbekleding zou morsen. Maar goed, daar wou hij zich niet druk om maken, zo was hij niet.
‘Welke film,’ vroeg Geert afwezig terwijl hij moeite had om zich niet op zoveel zorgen tegelijk te concentreren.
‘The Tree of Life, van Terrence Malick’ herhaalde Joos nonchalant. ‘Ik vond hem werkelijk inspirerend.’
‘Inspirerend, ja,’ zei Geert terwijl hij het tankstation binnen reed. Hij had de film niet gezien.
‘Ik ben een ware filmfanaat, weet je,’ verklaarde Joos zelfzeker. ‘Ik hoop dat je het niet erg vindt dat ik zo veel praat, je bent nogal zwijgzaam vandaag.’ Geert parkeerde de wagen en trok zijn neus op terwijl hij een spitsvondige repliek zocht, iets wat gevatte mensen zeggen.
‘Neen absoluut niet, ik hou ervan wanneer je zulke monologen voert,’ zei hij met enige trots. Prachtig, Geert, werkelijk subtiel, dacht hij. En dan nu de genadeslag: ‘maar ik heb het gevoel, en vergeef me mijn observatie, dat je de kwestie van de armband probeert te ontwijken. Heb ik dat correct, Joos?’ Daar had hij vast niet van terug.
‘Absoluut niet, ik dacht gewoon dat je die niet meer nodig zou hebben,’ zei Joos terwijl hij uit de wagen stapte.
‘Hoezo niet meer nodig?’
‘Nou… Met de scheiding en zo, ik dacht dat Elena daar helemaal niet om zou malen.’
‘Hoe schei… Wat?!’ Geert keek Joos aan alsof een dildo zich met veel moeite naar binnen werkte. Joos stond er bij alsof hij voor het eerst in zijn leven niet wist wie hij was en wat hij hoorde te zeggen. ‘Oow.’
‘Wat, wat, hoe, wat bedoel je? Wat scheiding?’ Geert probeerde zijn woede te onderdrukken, zijn stem sloeg over.
‘O jee, Geert, dat was echt niet mijn… Ik dacht dat je… Je weet hoe ik ben, ik praat gewoon in alle oprechtheid en had er niet bij nagedacht.’
Geert bleef bevroren zitten met zijn beide handen om het stuur. Na een poos zei Joos: ‘Nou. Ik zal mijn tabak maar even gaan halen. En om het goed te maken breng ik je een biertje mee.’ Hij sloeg de deur dicht en holde naar de krantenwinkel. Plots keerde hij terug. ‘Ik heb wel een beetje geld nodig voor dat biertje.’
‘Er zit geld in het handschoenenkastje,’ zei Geert ongelovig. Joos nam het geld en zei met een moederlijke glimlach: ‘het is wellicht beter dat je het van een vriend hoort,’ waarna hij de deur dichtsloeg en naar de krantenwinkel holde.

Vanop deze afstand zou hij hoogstens een been kunnen breken, dacht Geert. En misschien nog wat schade aanrichten als hij de ruit van de krantenwinkel inramde. Maar meer niet. Rillend ontkoppelde hij de handrem en zette de wagen in eerste versnelling. Hij volgde Joos terwijl die de krantenwinkel binnenliep en hield zijn voeten op de gas- en koppelpedaal en zijn handen stevig om het stuur.
Toen Joos de krantenwinkel verliet, drukte hij meteen de gaspedaal in en liet zijn koppeling zachtjes los. De wagen schoot vooruit, Joos keek hem verbouwereerd aan. Vlak voor diens voeten trok Geert abrupt aan het stuur en liet de wagen rondjes draaien tot zijn banden piepten. Daarna sloeg hij links in. Weer op de baan zette hij de wagen in tweede en vervolgens derde versnelling. Hij ademde lang uit en reed gestadig en beheerst weg. Die zal hij gevoeld hebben, meende hij.